9783990489536.jpg

Inhoud

COLOFON

WOORD VOORAF

(HEER) HUGO HAAS

DE ONTMOETING

VRIENDSCHAP

HOLLY’S VERHAAL

HET ONGELUK VAN BEER BRAM

DR. CORAX EN DE NATUURWEZENTJES

EEN ONVERWACHTE WENDING

HET BOS MET DE ZEVEN MEREN

CARMEN DE KAT

DE ONTDEKKING

VERGEVING

KO EN SJONNIE

MOEDER HILDA

DE OVERVAL

HET GROTE GEVECHT

DE GROENE GOUDBOOM

FEEST!

HENRICK HAAS

DE HAAS-HEERLIJCKHEID

COOSJE EN RICO

LIEFDE

NAWOORD

COLOFON

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2017 novum publishing

ISBN drukuitgave: 978-3-99048-952-9

ISBN e-book: 978-3-99048-953-6

Lectoraat: Meggie Moors

Vormgeving omslag: Megaspy, Juliia Snegireva | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting: novum publishing

Foto’s binnendeel: Ineke Siegers

www.novumpublishing.nl

WOORD VOORAF

Waarom een boek?

De wens een boek te schrijven was al lange tijd aanwezig, maar wanneer het was dat ik besefte dat het werkelijkheid kon worden dat kan ik pas nu, achteraf, duiden.

Ruim zes jaar geleden is het nu dat ik na een ongelukkige val met een paar gebroken wervels op bed kwam te liggen. En het was niet alleen dat. Een week daarvoor was mijn werkcontract niet verlengd en ook hij, die ik zo liefhad, verdween uit mijn leven.

Een jaar na dato volgde een zware rugoperatie en wederom veel tijd om waar dan ook maar over na te denken.

Het was niet de meest leuke periode uit mijn leven; al keerde de liefde snel weer terug, het fysieke herstel duurde lang. De ommekeer kwam toen ik op een dag mezelf al vroeg in de ochtend naar een kinderprogramma zag kijken en ineens heel duidelijk besefte dat ik geen andere invulling had van de dag. Dat er iets moest veranderen werd voor mij op dat moment duidelijk. De daarop volgende vijf lange jaren, met o.a.veel fysiotherapie, EMDR-sessies, psychologische gesprekken, liefde en het inzicht dat ik daardoor kreeg in mezelf, hebben me gemaakt tot de mens die ik nu ben. Het heeft me de kracht gegeven om mijn droom waar te kunnen maken.

‘Ik ga een boek schrijven.’

Als je dat maar vaak genoeg tegen jezelf en de mensen om je heen zegt, moet je op een gegeven moment wel beginnen, anders neemt niemand jouw woorden serieus. En mijn lang gekoesterde wens is dan ook uitgekomen, ik heb uiteindelijk een echt boek geschreven, al kon ik dat natuurlijk niet alleen.

De liefde staat met al zijn facetten centraal in mijn leven en loopt dan ook als een rode draad door het boek. Het is weliswaar gebaseerd op mijn leven, over gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, maar fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar en eventuele herkenning zal louter gebaseerd zijn op gevoel.

Het begon met een eens geschreven klein liefdesverhaaltje, dat na twee verhuizingen genoeg had van het verstopt zitten en wist te ontsnappen. Het kleine verhaaltje werd een figuurlijke ‘puber’ van negen grotere verhaaltjes. Deze ‘puber’ werd door Jan Merton een aantal malen stevig aangepakt, geredigeerd en van de nodige adviezen voorzien. De ‘puber’ kon daardoor uitgroeien tot eenentwintig verhalen en op een gegeven moment was het een volwassen manuscript dat zelfstandig op reis kon gaan. Ik ben Jan hiervoor zeer erkentelijk.

Het vertrouwen dat mijn lieve vriendinnen in mij hadden heeft meegeholpen om vol te houden en door te schrijven. Dank jullie wel.

Het is mede door de nimmer aflatende steun en het geduld van Frenk, die mij keer op keer met liefde wist te motiveren en te stimuleren, die met eindeloos geduld meedacht en las, dat het uiteindelijk is geworden tot het boek dat je nu in handen hebt.

De illustraties zijn gegoten in de vorm van mandala’s. Ik heb hiervoor gekozen omdat het tekenen ervan mij inzicht geeft. Tegelijkertijd biedt het jou als lezer de mogelijkheid tot eigen invulling en fantasie.

Ik draag dit boek op aan mijn vier geweldige zoons:
Arjan, Gert-Jan, Robert en Maarten.

Ik hou van jullie, voor nu en altijd. Heb het leven lief.

Namasté.

Bild1.jpg

‘Ik eer de plek in jou waar het hele
universum samenkomt.

Ik eer de plek in jou waar liefde,
waarheid, licht en vrede heerst.

Wanneer jij in die plek bent in jezelf en ik
in die plek in mijzelf,

dan zijn we één.’

(HEER) HUGO HAAS

Hugo Haas kuste zijn geliefde moeder Hazel, groette zijn broers Henrick en Lennaert en verliet zonder nog één woord tegen zijn vader Theodoor te zeggen het landgoed De Haas-Heerlijckheid.

Woedend schreeuwde zijn vader hem na dat, zolang hij leefde, Hugo geen voet meer over de drempel van De Haas-Heerlijckheid zou zetten. Stoïcijns vervolgde Hugo echter zijn pad, zonder nog maar eenmaal om te kijken.

Duif Dot, al jaren woonachtig op het landgoed in Het Hooge Zwarte Bosch, hield het leven daar nu ook voor gezien en vergezelde Hugo op zijn tocht. Zij kon hem van alles vertellen over de omringende bossen en wouden en na enig overleg besloten ze om richting Het Groene Woudbos te gaan, dat ten zuiden van Het Hooge Zwarte Bosch lag.

Onderweg kocht Hugo in de winkel van Baas Big schildermateriaal en een mand die hij op zijn rug kon binden. Ze vervolgden hun weg en na een lange reis waren Hugo Haas en Duif Dot eindelijk bij Het Groene Woudbos aangekomen.

‘Het is mooi hier,’ zei Hugo tegen Dot, terwijl ze even pauzeerden, ‘precies zoals je het had omschreven.’ ‘Ja hè,’ zei Dot terwijl ze vergenoegd om zich heen keek. De haas pakte met zijn voorpoten de riemen van de mand vast en duwde ze een stukje omhoog om zo de druk op zijn schouders iets te verlichten.

‘Kom,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen Dot, ‘eens zien of ik hier een plek kan vinden om me te vestigen.’

Ze vervolgden hun weg en de eerste die ze tegenkwamen was een grote, stoer uitziende beer.

Hij fietste op een bakfiets, welke gevuld was met gereedschap. Ondanks zijn imposante verschijning bleek de beer een vriendelijke goedzak. Hij stopte met fietsen en groette de voor hem onbekende dieren, stak Hugo beleefd zijn poot toe en stelde zichzelf voor als Bram Beer, de klusjesman van het bos. Belangstellend vroeg hij naar de reden van hun komst.

Hugo vertelde in het kort, nadat hij Bram hun naam had gezegd, dat hij was afgegaan op het advies van Duif Dot om zich in Het Groene Woudbos te vestigen en dat hij een huis zocht waar hij in alle rust kon schilderen zonder gestoord te worden.

‘Dat komt goed uit,’ zei Bram, die het blijkbaar heel gewoon vond dat zo’n deftig uitziende haas schilderde, ‘ik kan nog wel een extra klusjesman gebruiken.’ Hugo schoot in de lach en zei dat hij geen huisschilder was, maar kúnstschilder! ‘Vandaar,’ zei Bram met een brede grijns, ‘nu begrijp ik het, ik dacht al dat je geen werkman was! Maar ik heb een idee, kom mee naar mijn huis, we gebruiken daar samen een maaltijd en dan praten we verder.’ Dankbaar aanvaardden Hugo en Dot, vermoeid als ze waren, dit aanbod.

Aan zijn vrouw Bertha stelde Bram Hugo voor als ‘Heer Hugo Haas’, daar hij, als eenvoudige beer, toch wel enigszins onder de indruk was van de elegante verschijning van de haas. Als vanzelfsprekend was dit voortaan de naam van Hugo. Bertha heette de beide dieren hartelijk welkom, maar op haar vraag waarom Hugo en Dot Het Hooge Zwarte Bosch hadden verlaten bleef het even stil. Hugo en Dot keken elkaar aan alvorens Hugo zei: ‘Och, daar hoeven we het niet over te hebben, Het Hooge Zwarte Bosch ligt achter ons.’

Als Bertha al begreep dat er meer aan de hand was dan dat de haas nu wilde vertellen, dan liet ze dat niet blijken. Ze vroeg niet verder en zei met een warme glimlach: ‘Ik hoop dat jullie beiden hier in ons mooie bos gaan vinden waarnaar je op zoek bent. Neem plaats, jullie zullen wel moe zijn na zo’n lange reis.’

Tijdens het eten vertelde Bram dat hij wist van een leegstaand huis aan de oostkant van het bos aan de rand van Het Bruine Beukenbos. ‘Het ligt wel erg aan de zoom van het bos en is een beetje een bouwval,’ zei Bram ietwat verontschuldigend, ‘maar ik denk dat er wel wat moois van te maken valt.’

Nadat Hugo en Dot voldoende uitgerust waren, genoten hadden van een door Bertha liefdevol bereide maaltijd en haar hiervoor hartelijk bedankten, gingen ze gedrieën een kijkje nemen. Zowel Hugo als Dot waren verrast door wat ze zagen. Het was een groot vrijstaand huis, omringd door een enorme tuin, dat grensde aan de bosrand. Toegegeven, het huis was net als de tuin verwaarloosd, maar Hugo keek door de bouwval heen, het had een zeer bijzondere lichtval en hij zag zich hier in gedachten al zitten om te schilderen. Dot keek verrukt naar de prachtige groene bomen, waarin ze al gauw een mooi plekje had gevonden. Samen met Bram maakte Hugo een ontwerp en in de dagen erna werd de bouwval door Bram en zijn handige bouwvakkers omgetoverd tot een huis met een prachtig atelier. Nadat het atelier tot zijn volle tevredenheid was ingericht kon Hugo aan de slag met dat wat hij het liefst deed: eieren beschilderen. Hij blies daarvoor eerst de eieren uit die niet werden uitgebroed, en schilderde er daarna met uiterste precisie een tot in het kleinste detail fraai uitgewerkt tafereeltje op.

Hugo voelde zich, net als Duif Dot, al snel thuis in Het Groene Woudbos en zowel hij als Dot werden dik bevriend met Bram en Bertha.

Hij dacht vaak aan thuis, maar gelukkig vond Hugo voldoende afleiding en voldoening in zijn schilderwerk. Over het algemeen was hij best tevreden met het leven dat hij leidde, al voelde hij zich soms toch ook best wel een beetje eenzaam. Vooral tijdens de lange, donkere wintermaanden verlangde hij vaak naar een maatje. Een maatje zoals Duif Dot al snel had gevonden. De prachtige Doffer Daan had haar hartje gestolen en ze koerden wat af samen in de bomen rondom het huis van de haas. En al was zijn verlangen naar een vriendinnetje nog zo groot, hij was blij dat Dot haar Daan gevonden had en hij genoot ervan om te zien hoe gelukkig ze samen waren.

De Oude Wijze Uil, als zo vaak zittend op zijn tak in de olm, had de komst van Heer Hugo Haas met belangstelling gevolgd. En net als zijn vriendin Maan was hij erg tevreden met de aanwezigheid van de haas. ‘Hij zal een waardevolle aanwinst zijn voor ons bos,’ zo sprak hij tegen Maan, terwijl hij tevreden zijn verenpak schudde. Maan was het stilzwijgend helemaal met de Oude Wijze Uil eens en bleef elke nacht extra lang bij het atelier schijnen. De energie van haar zachte stralen zorgde ervoor dat de lichtinval in het atelier overdag nóg mooier werd.

Bild2.jpg

DE ONTMOETING

Heer Hugo schilderde voor anderen alleen in opdracht en daardoor werd ieder ei een heel persoonlijk geschenk. Met name wanneer de Lentefee haar intrede deed in het bos, was het de gewoonte dat de dieren elkaar iets gaven wat symbool stond voor nieuw leven, en wat was er dan mooier dan zo’n prachtig beschilderd ei!

De andere dieren zagen de sympathieke haas vaak lopen met die grote mand op zijn rug. Hij was het hele jaar door bezig met het zoeken naar eieren en nieuwe inspiratie.

Het duurde niet lang eer het werk van Heer Hugo heel gewild werd en zijn roem doordrong in de omringende wouden en bossen.

Zijn ziel legde hij in het schilderen, er kwamen steeds meer opdrachten binnen voor Heer Hugo en tijd om zich eenzaam te voelen gunde hij zich niet meer.

Op een goede dag ging Heer Hugo weer eens het bos in, nadat het dagenlang hevig had gestormd en geregend. Een voorzichtig zonnetje scheen door de nog natte bomen en het leek wel alsof er aan alle takken glinsterende kristalletjes hingen. Heer Hugo keek er tijdens het lopen in stille bewondering naar en lette daardoor niet zo goed op waar en hoe hij liep.

Ineens bevond hij zich dan ook in een gedeelte van het bos waar hij zelden kwam. In de verte zag hij een grote steen en het leek wel alsof er iets wits aan vast zat. Heer Hugo versnelde zijn pas en dichterbij komend zag hij tot z’n verbazing dat het een klein, wit, wollig konijntje was. Hij kon zien dat het van vermoeidheid in slaap was gevallen, en misschien juist wel daardoor, ontroerde het beeld hem. ‘Wat ziet ze er lief uit,’ dacht Heer Hugo bij zichzelf en voorzichtig raakte hij haar aan. Het konijntje werd wakker van zijn aanraking, sprong van schrik op en wilde hard wegrennen toen het de grote haas voor zich zag staan.

Heer Hugo pakte haar snel vast en zei geruststellend: ‘Niet bang zijn, ik wil je geen kwaad doen. Ik heet Heer Hugo Haas, vertel eens, wie ben je en waar kom je vandaan?’

Het konijntje keek in de warme, amberkleurige ogen van Heer Hugo en zag dat het goed was. ’Ik heet Holly,’ antwoordde ze zacht. ‘Holly Konijn, en ik ben verdwaald, ik heb echt geen idee waar ik ben, maar ik kom uit Het Bos met de Zeven Meren. Verdrietig vertelde ze hoe door de hevige regenval van de afgelopen dagen, het beekje naast het huis waarin ze woonde was veranderd in een alles vernietigende modderstroom, woest en meedogenloos. ‘Ik was op dat moment niet thuis,’ snikte Holly, ‘ik had al zo lang binnen gezeten, het was even opgehouden met regenen en ik wou zó graag even naar buiten.’

Ze huiverde en troostend trok Heer Hugo haar even tegen zich aan. Holly vertelde verder.

Over hoe het toch ineens weer heel hard was gaan regenen en het anders zo rustige beekje, dat zijn oorsprong vond in een van de Zeven Meren, razendsnel veranderde en tot ongekende hoogte steeg. Holly had op tijd kunnen vluchten en was gaan schuilen onder een boom op een hoger gelegen plek. Van daaruit had ze tot haar grote ontzetting gezien hoe haar huis, met al zijn bewoners, nietsontziend werd meegenomen door het vieze, kolkende water. Bang geworden was ze gaan rennen, zonder te kijken waar ze naar toe liep. Weg, weg van dat vele boze water. Uiteindelijk was ze zo vreselijk moe geworden dat haar pootjes haar niet meer konden dragen. Uitgeput was ze op de grote steen gaan zitten en in slaap gevallen.

‘Wat een drama,’ zei Heer Hugo vol mededogen. En vroeg toen: ’Je bent in Het Groene Woudbos terecht gekomen, ken je dat?’

Holly keek verrast en zei te weten dat haar bos ten westen daarvan lag. Daarna vroeg Heer Hugo aan haar of ze met hem mee wou. ‘Ik maak wat te eten voor je klaar en dan rust je eerst maar eens lekker uit, morgen zien we wel weer verder. We vinden echt wel een oplossing.’ Holly vertrouwde hem zonder meer en liet zich door Heer Hugo in de mand zetten. Daarna liep hij, stevig doorstappend, met zijn kostbare schat terug naar huis. Daar aangekomen tilde hij, nieuwsgierig gadegeslagen door Doffer Daan en Duif Dot, het konijntje uit de mand en zette Holly op de grond. ‘Kijk,’ zei hij, ‘hier woon ik,’ en hij opende de deur van zijn huis.

Holly ging naar binnen en wat ze toen zag! Eieren, werkelijk overal lagen en stonden eieren, in alle soorten en maten! ‘Oohhhh,’ riep ze bewonderend uit, ‘wat prachtig!’ Het ene ei was nog mooier beschilderd dan het andere, al waren sommige nog niet helemaal af. Af en toe pakte Holly een ei op en bekeek deze aandachtig, haar vermoeidheid leek op slag verdwenen te zijn.

Heer Hugo liet haar begaan en maakte ondertussen snel een voedzaam maaltje. Ze gingen samen eten en toen besefte Holly pas echt hoe hongerig en moe ze was. Ze liet zich het eten goed smaken en daarna was ze zo warm en voldaan dat ze bijna in slaap viel. Heer Hugo pakte het konijntje op, bracht haar naar zijn bed en legde haar zachtjes neer. ‘Maar ik wil nog zoveel aan je vragen!’ zei Holly licht protesterend. ‘Morgen,’ zei Heer Hugo kordaat, ‘morgen zal ik alles wat je wil weten aan je vertellen, maar nu moet je eerst een goede nachtrust hebben.’

‘Dank je wel voor alles,’ zei Holly nog, voordat ze zich met een dankbare glimlach op haar snoetje omdraaide en in een diepe slaap viel.

Heer Hugo bleef nog even vertederd naar het slapende konijntje kijken en een warm gevoel beving hem. ‘Wat zag ze er lief uit en wat leek ze kwetsbaar nu ze daar zo vredig lag te slapen,’ dacht hij bij zichzelf. En hij nam zich voor om goed voor Holly te zorgen, zodat ze snel weer sterk genoeg zou zijn om naar haar eigen bos terug te kunnen keren.

Tegelijkertijd bekroop hem het gevoel dat hij het jammer zou vinden wanneer Holly weer terug zou gaan. Hij kende haar nog maar zo kort, maar ze was hem nu al heel dierbaar.